Giardia

De parasiet Giardia komt wereldwijd bij veel diersoorten voor, onder andere bij hond, kat en mens. Giardia is door de Wereld Gezondheid Organisatie erkend als een ziekte die van dier op mens kan overgaan (zoönose). Ook bij een goede verzorging van het huisdier komt deze parasiet bij veel van de volwassen dieren voor. Het voorkomen in kennels, catteries en dierenpensions kan zelfs oplopen tot 100%.

Cyclus
De parasiet komt in 2 verschillende vormen voor:

  1. Het parasietenstadium in de dunne darm wordt ook wel trofozoiet genoemd. Het is een zeer klein meercellig zweepdiertje (flagellaat), die alleen met een microscoop met grote vergroting te zien is. Vermeerdering hiervan vindt plaats door tweedeling en kan hiermee een explosieve omvang bereiken. Uit iedere trofozoiet ontstaat een cyste.
  2. Deze cyste, ook wel oöcyste genoemd, is het infectieuze stadium. Na uitscheiding in de ontlasting is de cyste onder koele en vochtige omstandigheden nog weken tot maandenlang besmettelijk.

Giardia wordt overgedragen via contact van ontlasting met de mond, bijvoorbeeld via besmet voedsel of drinkwater. Slechts enkele cysten zijn nodig om een infectie bij een nieuwe gastheer aan te laten slaan, terwijl bij een infectie tot wel 100.000 cysten per gram ontlasting uitgescheiden worden. De incubatietijd, de tijd tussen opname en het ontstaan van ziekteverschijnselen, bedraagt 5 - 16 dagen. De uitscheiding van de besmettelijke cysten begint 7 dagen na opname en vindt gedurende 4 - 5 weken met tussenpozen plaats. Deze besmettelijke periode kan veel langer duren als het dier zich herbesmet.

Symptomen

Het ziektebeeld (Giardiase) kan symptoomloos verlopen. Echter met name bij jonge en verzwakte dieren en onder invloed van stress kan een chronisch terugkerende, slijmerige en stinkende diarree voorkomen, waar soms ook bloed bij zit. Vaak treedt hierbij gewichtsverlies en een verminderde vitaliteit op. Volwassen dieren vertonen vaak weinig van deze symptomen, maar scheiden wel cysten uit en kunnen dus andere dieren besmetten.

Diagnose
De diagnose is niet altijd eenvoudig te stellen, aangezien een geïnfecteerd dier niet continu cysten uitscheidt. De kans op het vinden van cysten wordt groter als er meerdere dagen (3) achtereen ontlastingsmonsters verzameld worden. Het vinden van cysten (of trofozoieten) in de ontlasting bevestigt de diagnose.

Tevens kan de diagnose worden gesteld door het aantonen van Giardia-antigenen met behulp van een zogenaamde ELISA-test of Snap-test. Hiermee kunnen zowel levende als dode of uiteen gevallen trofozoieten of cysten aangetoond worden.

Behandeling
De behandeling van Giardia bestaat uit het geven Fenbendazole (Panacur®) gedurende 3 tot 5 dagen. Er kan ook voor een (combinatie-)behandeling met Metronidazol gekozen worden. Hierbij moeten alle honden en katten in een huishouden tegelijk behandeld worden. Bij ernstige besmettingen wordt aangeraden deze behandeling na 10 dagen te herhalen. Ook kan het ontlastingsonderzoek herhaald worden.

Het ontlastingsonderzoek kan ter controle herhaald worden vanaf 2 weken na de behandeling. Deze controle is niet noodzakelijk als de klachten over zijn.

Hygiëne is het sleutelwoord als het om preventie van Giardia-infecties gaat. Schoon drinkwater en regelmatig opruimen van ontlasting in een kennel of schoonmaken van kattenbakken is absolute noodzaak. Huishoudelijk schoonmaken met heet tot kokend water en zeep is meestal voldoende. Eventueel daarna de omgeving drogen met behulp van hete lucht. Ook dienen de dieren gewassen te worden op de 3e en 5e dag na de start van de behandeling, zodat de vacht vrij gemaakt wordt van eventuele oöcysten. Was als eigenaar de handen na contact met het huisdier. Niet teveel dieren in een (te) kleine ruimte helpt uiteraard ook om infectie te voorkomen en de infectiedruk te verlagen.

 

Wilt u op de hoogte blijven van onze acties en nieuwtjes? Meld u dan aan voor onze nieuwsbrief.